Controller voor Qbus-modules (uitbreidbaar).
- maakt een Stand-Alone installatie slim
- stuurt verlichting, HVAC, energie, veiligheid of een combinatie van alle technieken
- inclusief gratis bediening via de vernieuwde app of cloud
- compatibel met alle Qbus modules, ongeacht de generaties
- van kleine tot grote installaties, uitbreidbaar via uitbreidingskaarten
- eenvoudige configuratie via gratis software
Controller voor 10, 40 of 2x75 Qbus modules, uitbreidbaar met uitbreidingskaarten (max 4 keer 15 modules). Met ethernet poort voor de programmatie en visualisatie van de Qbus Cloud, SD-kaart zit veilig achter de afdekplaat van de kast, enkel toegankelijk voor de installateur. Energie-efficiënter dankzij nieuwe bus-aansturing, beperkte warmte-ontwikkeling.
Veelgestelde vragen
-
Bij het uploaden van de gegevens geeft een module steeds Err.255 (Module not found)
Indien er bij het programmeren of verifiëren van een module Err.255 verschijnt, dan kan dit verschillende oorzaken hebben:
Controleer in de eerste plaats of het serienummer correct werd ingetypt zoals weergegeven op het stickertje op de module of op het doosje. Een serienummer bestaat steeds uit 6 cijfers of uit 10 hexadecimale tekens (bvb. 0006B01ADE) waarvan de 4 eerste het moduletype bepalen.
Voer een test uit via “Hulpprogramma’s/Communicatie Check”. Typ hier de laatste 6 cijfers van het serienummer in en klik op “Start Module Test”. Bij perfecte communicatie met deze module moet je een mooi vlakke lijn op 100% te zien krijgen. Indien je een vlakke lage lijn ziet, dan is er nooit communicatie. Indien de lijn gepulseerd is, dan is er slechte communicatie. Controleer dan of de busspanning (+/- 14V) nog correct toekomt op de module of controleer de bekabeling. Probeer de communicatie met de module eens rechtstreeks aan de controller met 2 korte busdraadjes (zonder enige andere aangesloten module) alvorens deze via onze RMA procedure terug te sturen.
Een aantal modules kunnen hun serienummer uitsturen:
- Alle SWC varianten kan je zoeken via “Bestand/Modules/Zoek naar modules”. Na het klikken op “Start zoeken” zullen alle aangesloten schakelaars blauw knipperen. Bij het drukken op een willekeurige toets op de schakelaar, zal deze zijn serienummer doorsturen.
- Alle modules met een serienummer met 10 tekens kunnen we uitlezen via “Hulpprogramma’s/Communicatie Check” indien 1 en slechts 1 module van dit nieuwe type op de bus is aangesloten, door als serienummer “FFFFFF” in te geven.
-
De buscommunicatie-led blijft voortdurend branden
De "Bus"-led op de CTD laat zien wanneer er busactiviteit is. Enkel 5 seconden is er een korte heartbeat te zien. Wanneer een module de bus 'wakker' maakt zal de led rood zijn. Maar deze moet dan na enkele seconden terug uitgaan. Wanneer deze "Bus"-led echter voortdurend blijft branden, dan is dit ofwel te wijten aan een tegenstrijdige configuratie ofwel wordt de bus wakker gehouden door een (defecte) module. Wanneer u alle bussen loskoppelt aan de CTD, dan weet je direct of de oorzaak bij de modules te vinden is.
Tegenstrijdige configuratie kan bvb. het volgende zijn: Een ingang die als "Normaal open" of "Normaal gesloten" ingesteld is, kan niet geforceerd worden. Hetzelfde geldt voor een uitgang die op een detector is aangesloten. Of er werd tegenstrijdige logica gebruikt... Deze voortdurende buscommunicatie dient zeker te worden verholpen.
-
De ethernetverbinding met SMIII of Cloud werkt niet meer
De ethernetverbinding hangt af van vele factoren. In de eerste plaats dient nagekeken te worden of de communicatie op het lokale netwerk (LAN) nog perfect werkt. Wanneer de linkse status led op de ethernetconnector groen brandt, betekent dit een goede fysieke verbinding met een switch of router. De rechtse led zal groen knipperen bij ontvangst van data.
Wanneer de ethernetinterface op "AutoIP" ingesteld werd, dan zal deze enkel (aan een DHCP-server) naar een IP-adres vragen, bij het opstarten van de controller wanneer de kabel reeds is ingeplugd. Het kan dus zijn dat bij een volledige stroompanne de controller sneller opstart dan de DHCP-server (meestal ingebouwd in de router/modem). Hierdoor heeft de controller geen IP-adres gekregen en zal deze nog eens moeten heropgestart worden. In de SMIII kan met het toegekende IP-adres opzoeken via Hulpprogramma's/Setup/Verbinding /TCP/IP Instellingen.
U kan ook de ethernetinterface op een vast IP-adres instellen. Om een verbinding met de Cloud te kunnen maken is dan ook een correct ingestelde Gateway en DNS noodzakelijk. Let wel op dat het ingesteld IP-adres in het goede subnet gekozen wordt, want bij het aansluiten van de controller op een ander subnet zal deze waarschijnlijk onvindbaar worden.
Via de opdrachtprompt kan men nu nakijken of de communicatie perfect loopt. Bvb.: "PING 192.168.0.101 -t" Wanneer hier na 1 minuut geen enkele timeout optreedt, dan hebt u een perfecte fysieke verbinding.
Indien bovenstaande regels gevolgd werden en er geen speciale firewall aanwezig is, zal de verbinding met de Cloud ook perfect in orde zijn. Indien wel een Firewall actief is, is het noodzakelijk dat alle TCP-communicatie via Poort 80 naar de Cloud toegelaten wordt.
-
Gebruik steeds de meest recente software voor configuratie.
Het is steeds aan te raden de meest recente versie te gebruiken. Hierin worden steeds de nieuwste modules ondersteund en werden ook alle gekende bugs opgelost.
Indien je bvb een serienummer intypt en de juiste module info verschijnt niet, dan zal je vermoedelijk niet met de meest recente software werken.
Een nieuwere versie zal steeds de oudere files (.QDB) kunnen openen, zonder gegevensverlies.
De nieuwste System Manager software, bijhorende handleiding en versiebeheer vind je in het kenniscentrum.
-
Hoe kan men de astronomische dagklok gebruiken?
Alle CTD controllers hebben een ingebouwde jaarkalender met de dagelijkse tijdstippen van zons-op en -ondergang. Om deze te kunnen gebruiken volstaat het om via het setup scherm een bistabiele uitgang toe te kennen en de locatie die zich het dichtst bij de installatie bevindt, te selecteren.
!! Nadat je de wijzigingen doorstuurde via de Rode uploadpijl, is het belangrijk om de CTD eens herop te starten om de actuele tijdstippen in te laden !!!
-
Hoe leest men een bestaande configuratie uit?
Naargelang het type controller is dit een totaal andere procedure.
- Voor de CTD controllers gaat dit als volgt:
In de SMIII via “Bestand” of “Hulpprogramma’s/Setup/SD-kaart” klik je op “Herstel QDB van SD”.
Na de bevestiging kies je de naam en locatie waar het bestand moet bewaard worden. De gezipte QDB file wordt dan uit de SD kaart van de CTD gelezen en bewaard. Bij een positief antwoord op de vraag “Unzip en open restored QDB?” zijn alle gegevens dan onmiddellijk beschikbaar. Indien de gegevens waarmee je nog bezig was niet verstuurd of bewaard werden, dan krijg je eerst nog wel een melding om dit alsnog te doen.
- Voor een CTL controller volg je volgende procedure:
Omdat deze controller nog niet voorzien is van een groot geheugen, kunnen slechts beperkte gegevens gerecupereerd worden. O.a. de namen zijn afgekort op 12 karakters en serienummers zitten nergens gestockeerd.
Een eerste stap is dus via de SMII het intypen van ALLE serienummers via “Bestand/Modules”. Deze 6-cijferige serienummers zijn op elke module (DIN-rail, schakelaar, detector, …) terug te vinden. Voor de SWC0x schakelaars werd er wel een extra mogelijkheid voorzien om deze via “Zoek naar modules” hun serienummer te laten uitsturen.
Wanneer je daarna op de ‘pijl naar beneden’ klikt, kan je al deze beperkte gegevens uitlezen.
-
Mijn computer wordt niet verbonden via USB.
Normaal gesproken wordt het USB-stuurprogramma automatisch geïnstalleerd wanneer de Qbus System Manager III SW wordt geïnstalleerd, maar als dit niet het geval is, zal uw computer u vertellen dat u problemen ondervindt bij het installeren van het USB-apparaat wanneer u verbinding maakt met de controller. Wanneer dit gebeurt, klikt u op dat bericht en selecteert u om het stuurprogramma te installeren vanuit een lijst of specifieke locatie (zoeken: C:\Program Files (x86)\Qbus\CTD USB driver als u het programma op de standaardlocatie hebt geïnstalleerd en zo niet, selecteer dan de locatie waar u het programma en deze specifieke map hebt geïnstalleerd). Op deze manier moet het systeem correct worden aangesloten.
Technische info voor installateurs
-
Functiebeschrijving
De Qbus Controller kan gemakkelijk gebruikt worden als toevoeging op een Qbus Stand-Alone (SA) systeem, maar kan evengoed gebruikt worden in installaties waarbij enkel een bus-bekabeling worden voorzien.
Deze controller is geschikt voor alle voorgaande generaties van Qbus modules.Voor woningen en toepassingen bij KMO volstaat meestal één controller. In grotere projecten kunnen meerdere controllers via een netwerk gelinkt en gevisualiseerd worden. Dit kan onder andere door middel van acties op Qbus Control voor installaties die via internet gekoppeld moeten worden. Lokale koppelingen tussen controllers kunnen gemaakt worden door toevoeging van Ubiebox of UbiePRO in het lokale netwerk.
Met EQOmmand visualisatiesoftware voor Windows kan je via lokaal netwerk of internet meerdere installaties visualiseren en bedienen. Hiervoor is een activatie per CTD vereist.
De controller levert aan alle aangesloten modules de vereiste voeding en gegevens via een 2-draads-bus. De firmware van de CTD wordt automatisch geüpdatet. De werking van de bus wordt hierdoor niet beïnvloed. Deze functie kan ingesteld worden via System Manager III.
Bij het aansluiten van de modules speelt de polariteit geen rol. Belast de bussen evenredig door ongeveer de helft van de modules aan te sluiten op BUS1 en de andere helft op BUS2 De term “Qbus module” behelst iedere Qbus-busdeelnemer of m.a.w. ieder Qbus onderdeel dat een BUS-aansluiting heeft. Zo wordt een slimme schakelaars of een sensor, verder ook als Qbus modules benoemd.
Afhankelijk van de versie, kunnen er een bepaald aantal modules worden aangesloten op de CTD. Om ook in kleinere installaties een CTD te kunnen toepassen, zijn er varianten voorzien voor een beperkter aantal Qbus-modules.
In de handel zijn onderstaande varianten ter beschikking:
- CTDmax geschikt voor +/- 150 Qbus modules (75 per bus)
- CTD40 voor maximum 40 Qbus modules (uitbreidbaar!)
- CTD10 voor maximum 10 Qbus modules (uitbreidbaar!)
De CTD10 en CTD40, kunnen uitgebreid worden door middel van uitbreidingskaarten (EXP15). Per uitbreidingskaart, kunnen er 15 extra modules worden aangesloten. Van zodra er 4 uitbreidingskaarten op CTD10 of 2 uitbreidingskaarten op CTD40, zijn toegevoegd, worden dit type controllers een volwaardige CTDmax. Dankzij dit systeem kan de CTD meegroeien met de installatie.
Er zijn enkele parameters die bepalen wat een CTD aankan. Eerst het aantal toegelaten modules (< CTDmax) en het totaal opgenomen vermogen van deze modules, en daarnaast het aantal adressen die de controller ter beschikking heeft. In geval van de CTDmax ligt de beperking bij de stroom die hij kan leveren. CTDmax beschikt over 1000 mA voor elke bus, wat betekent dat op elke bus gemiddeld 75 Qbus modules kunnen worden aangesloten.
-
Technische gegevens
Algemene specificaties CTD
- Voeding: 18VDC/3A ZLVS (Zeer Lage Veiligheids- Spanning mits aangesloten op aarding)
- Omgevingstemperatuur:
- Bedrijfstemperatuur: 10°C tot 50°C
- Opslagtemperatuur: -10°C tot 60°C
- Maximale vochtigheid: 93 %, geen vochtcondensatie
- Max. montagehoogte: 2.000 meter.
CE
- Bus: 18 VDC zeer lage veiligheidsspanning
- Niet-toxisch, in overeenstemming met WEEE/RoHS
- Overeenstemmend EN 60730-1:2000-11 +A11 2002
Fysische specificaties
Behuizing: plastic, zelfdovend overeenkomstig UL94-V0
- Beschermingsgraad: IP20, EN 60529
- Installatie: snelle montage op DIN-rail, breedte 4 modules
- Afmetingen (h x b x l): 62mm x 90mm x 72mm
- Gewicht: ongeveer 140g
-
Dimensionering
-
Verklaring symbolen
Apparatuur waarbij de bescherming tegen het risico van elektrisch contact niet alleen gebaseerd is op basisisolatie, maar ook op aanvullende bescherming zoals dubbele isolatie of versterkte isolatie. Er is geen mogelijkheid tot aarding.
Voordat u het apparaat aansluit, is het verplicht om de handleiding van het betreffende product te lezen. ISO7000-0434
Netaansluiting (230V) op de voedingsconnector. IEC 60417-5036
CE-conformiteit. Alle conformiteitsverklaringen zijn verkrijgbaar op aanvraag.
-
Garantiebepaling
2 jaar vanaf leverdatum. De garantie geldt niet langer indien de module geopend werd! De garantieperiode wordt met 2 jaar verlengd indien deze werd geplaatst door een erkende Qbus installateur.
Bij defecten dient Qbus support gecontacteerd te worden door een erkende installateur. Na registratie bij Qbus support, kan de defecte module met een beschrijving van het defect, vrij van zegel verstuurd worden naar onze Qbus support.
Contactgegevens:
Qbus NV
Joseph Cardijnstraat 19
B-9420 Erpe-Mere
Tel: +32 (0)53 60 72 10
Fax: +32 (0)53 60 72 19
Email: support@qbus.be
Algemeen
-
Veiligheidsvoorschriften
Lees de volledige handleiding vooraleer de module te installeren en te activeren.
OPGELET
- De CTD moet geïnstalleerd, opgestart en onderhouden worden door een erkende elektrische installateur in overeenstemming met de geldende legale voorschriften van het land.
- Deze module is alleen geschikt voor DIN-rail installatie EN50022. De module moet geïnstalleerd worden in een brandvrije, gesloten verdeelkast met ventilatieroosters.
- Vooraleer aan de CTD te werken moet de spanning afgezet worden.
- Sluit nooit rechtstreeks externe spanningen (v.b. 230VAC) aan op de CTD of op de Qbus-bus! Dit zal onherstelbare schade veroorzaken aan de CTD en of aangesloten Qbus- modules.
- De CTD mag niet geopend worden. De garantie vervalt indien de controller geopend wordt!
Installeren en bekabelen
-
Plaatsing
Klik de controller en voeding op een DIN-rail DIN EN50022.
Plaats de CTD bij voorkeur in een droge, licht verwarmde ruimte en zorg voor voldoende afstand tussen de controller en interferentiebronnen zoals contactoren, omvormers en voedingen. Zorg voor voldoende ventilatie in de verdeelkast.
De vereiste voeding wordt aangeleverd via een gestabiliseerde voedingsbron van 18VDC/3A (ref. CTDPWS/DIN standaard inbegrepen in de levering van de CTD)
In geval van een stroomonderbreking zorgt een ingebouwd niet vluchtig geheugen ervoor dat alle gegevens minimaal 10 jaar bewaard blijven. -
Voeding
Een tweepolige automatische zekering van maximum C16A moet op de CTDPWS/DIN aan de 230Vac- zijde aangesloten worden. Echter een automatische beveiliging vanaf C4A volstaat. Voorzie steeds minstens 5mm vrije ruimte naast de CTDPWS/DIN om voldoende ventilatieruimte te garanderen. De juiste montagerichting voor de voeding is verticaal, de ingangsklemmen aan de onderkant en de uitgang aan de bovenkant. Andere montagerichtingen, zoals ondersteboven, horizontaal of op een tafelblad, zijn niet toegestaan.
De doorsnede van de geleiders: minimum 1,5mm² bij 16A. Verwijder ongeveer 6mm isolatie van de geleiders en schroef de geleiders in de connectoren L-N.
Verbind daarna de 18V-zijde van de CTDPWS/DIN met de voedingsklemmen op de CTD. Verwijder ongeveer 6mm isolatie van de geleiders en schroef de geleiders in de connectoren + en – van de 18VDC voeding (CTDPWS/DIN).
Let op de polariteit! Bij fout aansluiten zal de CTD niet werken. Sluit de +klem van de CTDPWS/DIN aan op de +klem van de CTD, en verbind de -klem van de CTDPWS/DIN aan op de -klem van de CTD.
Verwijder ongeveer 7mm isolatie van de geleiders en schroef de geleiders in de + en -klemmen van de CTD.
Sluit de aardklem op de CTD aan op de algemene aarding! Indien de aarding niet is aangesloten, is de installatie niet reglementair!
OPGELET : GEBRUIK DE CTDPWS NOOIT VOOR ANDERE DOELEINDEN ZOALS DE VOEDING VAN LEDS.
-
BUS-aansluiting
De CTD heeft 2 onafhankelijke bussen. BUS1 en BUS2 mogen nooit met elkaar worden verbonden!
Verwijder ongeveer 7mm isolatie van de geleiders en schroef de geleiders in de BUS-connectoren van de CTD. Zowel vaste als soepele draden van minstens 1mm² kunnen gebruikt worden. Bij soepele draad moet je gebruik maken van adereindhulzen die met gepast materiaal op de draaduiteinden worden geklemd. Iedere BUS-aansluiting is voorzien van 4 schroefklemmen. Intern in de controller ligt per bus een brug over de klemmen A1 & A1 alsook bij A2 & A2. Verbindt BUS1 en BUS2 niet met elkaar!
Qbus-busbekabeling:
Elke afgeschermde kabel met geleiders van minimaal 2 x 1 mm² kan als buskabel gebruikt worden. De groene afgeschermde EIB-kabel is de aanbevolen kabel wanneer de geleiders per 2 samen worden getorst om een sectie van minimaal 2 x 1 mm² te verkrijgen. De afscherming van de buskabel moet, en mag slechts, aan één uiteinde aangesloten worden op de algemene aarding van het gebouw.De kabellengte tussen de CTD en een Qbus module kan maximaal 200m zijn afhankelijk van de gekozen topologie. De bus-topologie kan aangelegd worden in volgende vormen:
- Gesloten lus: tot 400m. De kabel vertrekt vanop de CTD en de terugkomende kabel van die lus wordt ook aangesloten op dezelfde BUS van dezelfde CTD
- Er mogen meerdere gesloten lussen parallel op dezelfde bus-klemmen van de CTD worden aangesloten.
- Aftakkingen op een gesloten lus zijn toegelaten, zolang de kabellengte van deze aftakking niet meer dan 30m bedraagt en de totale kabellengte van CTD tot Qbus module niet meer dan 200m is.
- Ster: De kabel vertrekt vanuit de CTD naar modules, en er wordt geen terugvoerende kabel geplaatst. In deze topologie is de maximale afstand, tussen de CTD en een Qbus module, 100m. Het eindpunt van een sterkabel hoort steeds te stoppen bij de laatste Qbus module.
Controleer de bus op volgende punten voordat u Qbus-modules en of de controller aansluit:
- Zorg ervoor dat de isolatieweerstand naar de aarde groot genoeg is
- Meet de gesloten lus door op beide aders om eventuele breuken op te sporen.
- Controleer de bus op volgende punten voor en na het aansluiten van modules:
- Bij gesloten lus controleer je of de polariteit overeenkomt bij vertrekkende en terugvoerende buskabel.
- Wanneer u de controller aanschakelt, wordt een testprocedure van 3 seconden doorlopen. Schakel de voeding nooit snel aan en uit. De minimale wachttijd tussen aan- en uitschakelen bedraagt 5 seconden. Veelvuldig en kortstondige spanningsonderbrekingen kunnen ervoor zorgen dat de CTD in SAFE-mode gaat. De SAFE-mode wordt gestopt door de configuratie en gevraagde update uit te voeren via System Manager III
Zet de CTD pas onder spanning wanneer de spanningstoevoer foutloos kan gebeuren.
LED indicatie:
! De LED indicaties zijn informatief. De hieronder vermelde bereiken hebben een tolerantie van +/- 5%.
- 18V LED indicator voedingsspanning
- GROEN: ingangsspanning ligt tussen 16,5V<->20V
- ORANJE: ingangsspanning >20V
- ROOD: ingangsspanning <16,5V
- 16V LED indicator busspanning
- GROEN: steeds groen bij spanning
- U LED indicator busspanning
- GROEN: busspanning 16,5V<->20V
- ORANJE: busspanning >20V
- ROOD: busspanning <16,5V
- I LED indicator busstroom
- GROEN: busstroom 14mA<->900mA
- ORANJE: busstroom 900mA<->950mA
- ROOD: busstroom >950mA
- UIT: busstroom <14mA of buskortsluiting (! indicatie beschikbaar vanaf firmware V4.11 - kortsluitvastheid)
- ETH LED voor ethernet-communicatie
- GROEN: bij gegevensoverdracht met communicatie interface
- BUS LED voor buscommunicatie
- GROEN: er vindt overdracht naar de bus plaats
- ROOD: er worden gegevens van de bus ontvangen
- De ethernetconnector zelf beschikt over LED indicatoren. Deze functioneren zodra de netwerkverbinding functioneel is.
Aansluitschema
-
Aansluitschema
De configuratie van een CTDxx (en alle bijhorende modules uit het FULL-gamma) gebeurt door de gratis software System Manager III
-
Installatie via System Manager III
De Qbus System Manager is de software die u zult gebruiken om het Qbus system te configureren. In de Qbus System Manager kunt u I/O’s (aan/uit, timers, sequenties, sferen, kloktijden, alarmsystemen, ...) aanmaken en bepalen hoe die I/O’s zullen worden aangestuurd (welke toets op een schakelaar/ bewegingsdetector enz. elke I/O activeert). Al die instellingen worden opgeslagen in een .qdb (Qbus DataBase) bestand.
De Qbus System Manager is gratis beschikbaar. U kunt de nieuwste versie downloaden via deze link. Wanneer de System Manager gedownload, geünzipt en uitgevoerd is, beschikt u op uw bureaublad over een snelkoppeling naar het programma.
OPGELET: de SYSTEM MANAGER III is NIET COMPATIBEL met CTL-controllers (CTL16, CTL32. CTL64, CTL256). De configuratiesoftware voor CTL-controllers is de Serial Manager II, die kan worden gedownload via deze link.
Voor u de software installeert, moet u nagaan of uw pc aan de volgende eisen voldoet:
Ondersteunde besturingssystemen: Windows 7, Windows 8, Windows 10, Windows 11
Processor: 1Ghz Pentium of gelijkwaardig aanbevolen
RAM: minimaal 1GB, bij voorkeur 4GB
Harddisk: 100 MB vrije ruimte
Scherm: 1024x768 (minimum) 1680x1050 of hoger (aan te raden)
Poorten: ethernetpoort of WiFi beschikbaar
-
Verbinding maken met een CTD
Klik in de menubalk van de System Manager III rechts bovenaan op het tandwiel of via "Hulpprogramma's" en dan op "Setup" om de communicatie tussen de System Manager en de Controller te configureren.
U krijgt daarna het volgende scherm te zien:
In dit scherm zie je verschillende tabbladen – klik op het tabblad “Verbinding” om met de Controller te kunnen verbinden. Volgend scherm wordt dan zichtbaar:
Wanneer het correcte IP adres ingetypt werd, kan je door op de knop “Lees Instellingen” te klikken in dit scherm de status van de Controller zien zoals de temperatuur van de CTD, de belasting op elke bus, de spanning op de bus,… Indien dit niet zichtbaar wordt, moet eerst de juiste manier van communicatie nog worden gekozen.
Er zijn twee manieren om met de Controller (CTD) te communiceren:
- via ethernet: alleen als de CTD een ethernetpoort heeft – CTD10, CTD40, CTDMax, CTD01Em, CTD01E, CTD01E+, CTD02E, CTD03E.
- via USB: mogelijk met volgende ‘oudere’ CTD's: CTD01Em, CTD01, CTD01E, CTD01E+, CTD02E, CTD03E
Als u via USB wenst te communiceren, klik dan op de optie USB in het setupscherm. Vergewis u ervan dat de geselecteerde communicatiepoorten ingesteld zijn van COM1: tot COM8:.
Er zijn 2 manieren om via een ethernetkabel een verbinding met de CTD tot stand te brengen:
- Als u een verbinding met de CTD tot stand brengt via een router, moet u de controller op de router aansluiten met behulp van een rechte ethernetkabel (met de CTD geleverd - doorgaans geel). Hierbij is het belangrijk dat de ethernetkabel ingeplugd is alvorens de CTD onder spanning gezet wordt. U hebt ook een rechte kabel nodig om uw computer op de router aan te sluiten. Als u een draadloze router hebt, kunt u via deze router een draadloze verbinding met de controller tot stand brengen.
- Als u de ethernetport van de CTD rechtstreeks verbindt met uw computer, zal in de meeste gevallen een rechte ethernetkabel voldoen. Wanneer de computer echter al wat ouder is, dan is een (niet-meegeleverde) gekruiste netwerkkabel nodig.
Bij een correcte fysische verbinding zal het linkse led op de ethernetpoort groen branden en de rechtse led groen knipperen bij dataverkeer.
Om het toestel via ethernet te bedienen, moet een IP-adres worden toegewezen.
Wanneer een toestel onder spanning wordt gebracht, zal het zoeken naar een IP-adres enkel en alleen als er al een goede fysische verbinding is. Wanneer de CTD wordt aangesloten via een router, heeft deze router een geïntegreerde DHCP, die ervoor zorgt dat elk aangesloten toestel een IP-adres krijgt.
Om het juiste IP-adres toe te wijzen aan de CTD, vink de optie USB uit en Ethernet aan in het setupscherm, en klik vervolgens op "TCP/IP Instellingen".
Wanneer u op TCP/IP instellingen klikt, zal de System Manager via UDP broadcast de CTD in uw netwerk zoeken. Blijft de tabel volledig leeg, selecteer dan de netwerkinterface waarin de controller zich ook bevindt. Wanneer de gewenste CTD gevonden werd, dubbelklik dan op de gewenste lijn, zodat de communicatie wordt tot stand gebracht. Indien dit lukt, dan, verdwijnt het scherm "TCP/IP instellingen", en het correcte IP-adres wordt ingevoerd in het veld "IP-adres of host naam" van het setupscherm en de verbinding wordt tot stand gebracht..
Maakt u de verbinding via een router, dan krijgt u een IP-adres dat meestal begint met 192.168.
Wanneer u rechtstreeks vanaf uw computer de verbinding met de Controller tot stand brengt (zonder router met DHCP-server), dan krijgt u een IP-adres dat begint met 169.254
De On/Off-Line status is steeds zichtbaar rechts bovenaan. Klikken op dit icoontje maakt of verbreekt de USB/ethernet verbinding met de controller.
OPGELET!!
De lokale communicatie van de System Manager vindt altijd plaats via de poort 8445, wat wordt ingevoerd in het venster "setup", in het veld "Poort" naast het IP-adres.
Opmerking: Sluit eerst de netwerkkabel aan, en activeer dan de controller om een IP-adres aan te vragen via de DHCP. Uiteraard is rechtstreekse aansluiting op een pc mogelijk, en in dat geval is soms een kruiskabel nodig (apart aan te kopen in een IT-speciaalzaak).
Opmerking: je kan een vast IP adres geven aan de Controller. In het TCP/IP Instellingen scherm kan je het gewenste IP-adres ingeven en dan klikken op “Set IP / Gateway / DNS”. Dit is meestal interessanter omdat bij een stroomonderbreking de CTD en ander IP-adres kan toegekend krijgen. Gebruik ook zeker een IP-adres dat nog niet in gebruik is. Gebruik hiervoor eventueel de “PING”-knop om dit te testen.
Een wachtwoord instellen voor de ethernetaansluiting:
De toestellen worden zonder wachtwoord geleverd. Als de toestellen een verbinding met het internet tot stand brengen of als u via het internet wijzigingen wilt doorvoeren, moet er voor de veiligheid een wachtwoord worden ingesteld. Om een wachtwoord in te stellen, geef het oude wachtwoord en het nieuwe wachtwoord twee keer in en stuur het naar de interface. Dit gebeurt via het hierboven weergegeven scherm; wanneer u een wachtwoord 2 keer hebt ingevoerd, klik op de optie "stuur nieuw wachtwoord naar de actuele connectie".
Verdere info over configuratie vind je terug in ons kenniscentrum: soorten I/O's , modules configureren, ... -
Een CTD uitbreiden
In tegenstelling tot vorige reeks CTD-controllers wordt de begrenzing van de busbelasting bij de nieuwe types controller niet gemeten aan de hand van het stroomverbruik op de bus maar op het exacte aantal aangesloten modules.
De CTD wordt standaard uitgeleverd in 3 versies:
CTD10: maximum 10 modules
CTD40: maximum 40 modules
CTDmax: Geen beperking op aantal modules. Per bus is er wel een maximum stroomverbruik van 1000mA
Softwarematig kan een CTD uitgebreid worden per 15 modules. Een CTD die uitgebreid wordt tot 70 modules is evenwaardig aan een CTDmax
Wanneer u een netwerkconnectie hebt met de CTD, kan dit op twee manieren:
- Online via het ingeven van de code van een aangekochte uitbreidingskaart (EXP15):
U hebt reeds een account op Installer Dashboard of QbusControl:
Via het setup-scherm in de System Manager III klikt u op het tabblad “Uitbreidingen”
Geef de hoofdlettergevoelige code van de uitbreidingskaart in (3 keer 4 tekens)
En klik op “Activeer”.
Wanneer u nog niet met het Installer Dashboard verbonden bent, dan wordt eerst de gebruikersnaam en wachtwoord gevraagd:
Indien u reeds over een Installer Dashboard account beschikt, dan wordt de CTD onmiddellijk uitgebreid.
Indien u nog geen account op het Installer Dashboard hebt, maar wel op QbusControl.com, dan wordt deze goedkeuring gevraagd:
Na ingave van uw bedrijfsnaam en btw-nummer wordt het Installer Dashboard ook geactiveerd en zal de CTD ook onmiddellijk uitgebreid worden.
Indien u nog geen account hebt op het Installer Dashboard noch op QbusControl:
Dan kan u een account aanmaken via https://installerdashboard.qbus.be
Nadien volgt u de stappen zoals hoger vermeld.
- Offline: via telefonisch contact met een QBUS service-medewerker
Via het setup-scherm in de System Manager III klikt u op het tabblad “Uitbreidingen”
Klik op de knop “Voeg een uitbreiding toe via de telefoon” en volgend scherm verschijnt:
Wanneer u uw installateurscode van het Installer Dashboard samen met de rode sleutel telefonisch doorgeeft, dan zal de Qbus-medewerker u een nieuwe 6-cijferige sleutel bezorgen. U zal dan een factuur ontvangen van de gevraagde aantal licenties (15, 30, 45 of 60)
Na ingave van de ontvangen sleutel en het klikken op “Activeer”, zal de CTD uitgebreid worden met het aantal gevraagde modules.
-
CTD verbinden met Cloud (Qbus Control)
Vanuit de tab “Qbus-Cloud” in het setup-scherm klik je op "Lees instellingen" om de verbinding met de controller te maken. Daarna kan je een e-mail adres invullen - zodra dit is ingevuld klik je op de knop “CTD -> Cloud” en wordt de Controller geregistreerd op QbusControl.com.
Wanneer alles goed verlopen is zal op het scherm een activatiecode verschijnen. Deze code kan je kopiëren of moet je intypen wanneer je jouw controller toevoegt op QbusControl.com!!!
Diezelfde activatiecode zal ook per e-mail worden verstuurd naar het opgegeven e-mailadres.
Registreer je dan zelf bij QbusControl:
Ga naar de site www.qbuscontrol.com en meld je aan met uw E-mailadres en wachtwoord of klik op de “Registreer” -knop wanneer u nog geen QbusControl account hebt.
Na het registratie proces komt u uit op dit scherm.
Klik op MAAK EEN TOESTEL
U kan een controller ook toevoegen via Instellingen - Installaties en dan rechtsonder op de + knop klikken.
- Vul het serienummer in van uw controller.
- Vul de activatiecode in die u verkregen heeft in de vorige stap.
- Stel een tijdzone in.
- Klik op de pijl om verder te gaan
Vul in deze stap de locatie in van de controller en klik op de pijl (6) om verder te gaan.
Uw controller werd toegevoegd. Klik op NAAR OVERZICHT om terug te gaan naar het overzicht.
-
SD-kaart en SD-banken
De SD-kaart op de Qbus CTD heeft 10 geheugenbanken. Dit betekent dat u tot 10 configuraties voor uw Qbus systeem kunt opslaan op de SD-kaart.
ALLE gegevens worden per bank apart bewaard. Dus zowel de configuratie, de lijst met modules, de events als de backup van het QDB-bestand worden per bank apart bewaard.
Door in het setupscherm op de tab SD-kaart te klikken, kunt u deze configuraties verschillende namen geven – bv zomer, winter, vakantie, …
U kunt analoge logica gebruiken om automatisch om te schakelen tussen verschillende SD-banken, bv. op basis van datum en tijd (van zomer tot winter), of manueel omschakelen met een druktoets of door een sfeer te activeren. Denk eraan dat u afzonderlijke .qdb-bestanden met hun eigen specifieke configuraties moet hebben om in de diverse SD-banken te laden (u maakt bijvoorbeeld een configuratie "zomer" (bv. zomer.qdb) en een configuratie "winter" (winter.qdb) aan en laadt de zomerconfiguratie in SD Bank 1 en de winterconfiguratie in SD Bank 2).
Met de knop ‘Herstel QDB van SD’ kan de backup van de configuratiefile van de SD kaart naar de computer overgehaald worden. Na deze actie wordt de vraag gesteld om deze QDB te unzippen en te openen. Na het eventueel bewaren van de huidige gegevens, wordt de herstelde configuratie onmiddellijk geopend.
Het knopje “Format SD” maakt een nieuw SD-kaartje klaar voor gebruik in de controller. Alle data zullen hierdoor gewist worden.
Alle recente controllers met Bootstrap V2.2 of hoger ondersteunen SD-kaarten van 4GB of meer.
Oudere controllers ondersteunen echter enkel SD-kaarten van 1GB of 2GB.